Woningcorporatie niet gehouden tot het zelf leveren van woonbegeleiding

Bart Poort adviseert als advocaat regelmatig woonbegeleidingspartijen en corporaties om te zorgen dat er goede afspraken worden gemaakt wanneer bijvoorbeeld de huurder woonbegeleiding nodig heeft. Het belang van duidelijke afspraken wordt in de volgende praktijkcasus nog maar eens onderstreept.

Casus

In de zaak van het hof Den Haag van 25 juli 2017 had de kantonrechter in eerste instantie wel een erg bijzondere uitspraak gewezen. De kantonrechter had namelijk geoordeeld dat de woningcorporatie zich in de huurovereenkomst zou hebben verplicht een zorgtraject in gang te zetten. De corporatie had volgens de kantonrechter deze verplichting niet nagekomen en moest alsnog hiervoor zorgdragen. De corporatie was het hier niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld.

Feiten

De feiten zijn als volgt. De corporatie verhuurde een woning aan een huurder op basis van een zogenaamde laatste kans overeenkomst voor de duur van drie jaar, nadat een eerdere huurovereenkomst door de kantonrechter was ontbonden wegens ernstige overlast. In deze laatste kans overeenkomst is naast de gebruikelijke voorwaarden een groot aantal bijzondere voorwaarden opgenomen waaraan de huurder zich moet houden. Het gaat daarbij ook om het accepteren van zorg. De huurder en de inwonende zoon en dochter zijn volgens de huurovereenkomst verplicht om zorg van een derde partij te accepteren en ook actief hieraan mee te werken. Er zou door deze derde partij een op de situatie afgestemde zorg en begeleiding worden ingezet.

De woningcorporatie ontvangt talrijke klachten uit de omgeving over de huurder en haar inwonende kinderen, terwijl het zorgtraject niet van de grond is gekomen. De huurder laat ook geen medewerkers van de corporatie toe. De corporatie vordert vervolgens in de procedure ontbinding van de laatste kans overeenkomst en ontruiming van de woonruimte wegens herhaalde en voortdurende overlast.

Oordeel kantonrechter

De kantonrechter oordeelt op basis van de verklaringen van getuigen die onder ede zijn gehoord dat sprake is van overlast door de huurder en haar kinderen, zodat de huurder tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de laatste kans overeenkomst. De kantonrechter oordeelt echter ook dat aan de huurder geen eerlijke kans is gegeven omdat de nodige begeleiding aan de huurder niet van de grond is gekomen waarvan de corporatie volgens de kantonrechter in dit geval blaam treft. Volgens de kantonrechter verplichtte de corporatie zich in de huurovereenkomst om een zorgtraject in gang te zetten, maar is op geen enkele wijze gebleken op welke manier de corporatie aan deze verplichting heeft voldaan. De kantonrechter oordeelt dan uiteindelijk dat dit aanleiding is om de zaak aan te houden en de corporatie in de gelegenheid te stellen om alsnog het zorgtraject op te starten waarbij van de huurder en haar kinderen wordt verwacht dat zij zich gaan gedragen zoals van een goed huurder verwacht mag worden en geen overlast meer veroorzaken.

Oordeel gerechtshof

Het hof oordeelt gelukkig anders dan de kantonrechter. Het hof oordeelt dat de corporatie geen verplichting op zich heeft genomen ten aanzien van een woonbegeleidingstraject. Dit blijkt volgens het hof op geen enkele manier uit de laatste kans overeenkomst. Het hof is duidelijk. Tegenover de verplichting van de corporatie om een woning ter beschikking te stellen aan de huurder, dient de huurder van haar kant naast de gebruikelijke huurdersverplichtingen ook open te staan voor zorgverlening. Een verplichting van de corporatie om zonder medewerking van de huurder een zorgtraject in gang te zetten valt volgens het hof evenmin uit de laatste kans overeenkomst af te leiden. Ook
oordeelt het hof dat er geen aanwijzing is dat de corporatie over het niet opgestart zijn van het zorgtraject enige blaam treft. De corporatie heeft volgens het hof voldoende aangetoond dat ondanks tal van pogingen om met de huurder te spreken op welke wijze derden hulp kunnen verlenen, zij zich aan het opstarten van de zorg heeft onttrokken. Ook heeft zij elke vorm van hulpverlening tegengehouden en liet zij geen medewerkers van de corporatie toe in de woning.

Het hof vernietigt uiteindelijk het vonnis en wijst alsnog de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woonruimte toe.

Conclusie

Gelukkig heeft het hof de uitspraak van de kantonrechter vernietigd, zodat de gevolgen slechts beperkt zijn tot een uitstel van de ontruiming in deze zaak. Het zou ook grote gevolgen hebben gehad indien het hof met de kantonrechter mee was gegaan aangezien de praktijk leert dat in veel gevallen een vergelijkbare constructie is afgesproken bij woonbegeleidingstrajecten. Het hof heeft bevestigd dat de bedoeling van partijen niet is dat de corporatie een zelfstandige verplichting op zich neemt om woonbegeleiding te verlenen en ook niet instaat voor het opstarten van het traject. De huurder is bovenal toch voornamelijk zelf verantwoordelijk voor het slagen van het traject.

Indien u over deze concrete zaak of deze praktijk vragen heeft, kunt u met mij contact opnemen.

Auteur: Bart Poort

 

Plaats een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


UA-69824055-1