Duurzaam knipperen is geen duurzame gemeenschappelijke huishouding

In artikel 7:268 lid 2 BW is bepaald dat degene die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, de huur gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder voortzet en ook nadien, indien de rechter dat op zijn vordering beslist. In een zaak bij het Gerechtshof Amsterdam d.d. 10 november 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2015:4656), werd door een bewoner na het overlijden van de huurder en beroep gedaan op dit artikel.

Volgens de aspirant-huurder had hij jarenlang een affectieve relatie gehad met de overleden huurder. In de periode van oktober 2001 tot juli 2011 had hij steeds op het adres van de huurder ingeschreven gestaan. Hij woonde daar toen ook volgens zijn verklaring in. Vervolgens is de relatie ongeveer een jaar over geweest. In de zomer van 2012 zou de relatie tussen hem en de overleden huurder volledig zijn hersteld. Hij zou toen ook weer in de woning zijn ingetrokken. Vanwege het feit dat de huurder destijds zwaar ziek en bedlegerig was, kon zij niet met hem mee naar de afdeling burgerzaken van de gemeente om een inschrijving op het adres van de woning te accorderen. Om die reden heeft hij zich niet weer op het adres van de woning kunnen inschrijven.

Het hof gaat niet mee met de stellingen van de aspirant-huurder. Volgens het hof heeft hij eerder bij de rechtbank verklaard dat zijn verhouding met de huurder al jarenlang het karakter had van een knipperlichtrelatie, dat wil zeggen dat hij soms gedurende langere periodes elders verbleef als de spanningen tussen hem en haar te hoog opliepen. Daarnaast beschikte hij niet over een toegangssleutel van de woning, zodat hij bij de buren moest aanbellen als hij door de huurder was buitengesloten. Hij woonde bovendien ten tijde van het overlijden hooguit een jaar in de woning. Het hof komt tot het oordeel dat de gemeenschappelijke huishouding geen duurzaam karakter had. Toen de huurder nog gezond was, ontbrak de duurzaamheid aan hun samenleven en het hof heeft geen grond gezien om een hervatting van die samenleving in de periode dat de huurder reeds zwaar ziek en verzorgend behoeftig was, wel als duurzaam aan te merken. Het hof voegt nog toe dat door deze uitspraak het hof geen oordeel uitspreekt over de affectieve relatie van de aspirant-huurder en de overleden huurder. Het gaat er echter om of het samenleven in de woning een duurzaam karakter had. Al die jaren woonde hij slechts in, dat wil zeggen met haar in haar woning, totdat het samenleven weer enige tijd werd verbroken en hij weer naar elders vertrok.

Het hof komt dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en wijst de vordering van de aspirant-huurder af. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat duurzaam knipperen geen duurzame gemeenschappelijke huishouding oplevert. Voor vragen over deze casus of een verzoek van een bewoner na het overlijden van de huurder tot voortzetting van de huurovereenkomst kunt u contact opnemen met de advocaten van Weebers Vastgoed Advocaten N.V.

Auteur: mr. B. Poort

Plaats een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

UA-69824055-1