Wetsvoorstel aanpak woonoverlast

Op basis van onderzoek is gebleken dat één op de drie Nederlanders met woonoverlast te maken heeft. Als gevolg van de wijzigingen in regelgeving rondom de zorg en woonbegeleiding is er ook een toename van overlast vanwege verwarde huurders, zie bijvoorbeeld het artikel in de NRC van 16 december 2015. Woonoverlast heeft voor de woonomgeving en de betrokken bewoners grote gevolgen voor het woongenot en gevoelens van veiligheid. Volgens onderzoek door het Centraal Bureau van de Statistiek ervaart een half miljoen Nederlanders dermate veel hinder van de buren of omwonenden dat dit het dagelijks leven ernstig verstoord. Soms leidt deze overlast zelfs tot een gedwongen verhuizing. In verband met de aanpak van de woonoverlast is op 1 september 2014 het wetsvoorstel 34.007 ingediend om gemeenten meer bevoegdheden te geven om woonoverlast tegen te gaan. Door andere Kamerleden is het wetsvoorstel overgenomen nadat de heer Dijkstra staatssecretaris is geworden. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State en op basis van de consultaties, waarbij de Vereniging van Nederlandse gemeenten, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en Aedes hebben deelgenomen, is het wetsvoorstel op 9 september 2015 aangepast. In de memorie van toelichting van 9 september 2015 is een overzicht gegeven van voorgestelde maatregelen en mogelijkheden voor gemeenten om woonoverlast aan te pakken. Hierbij komen achtereenvolgens de wet Victoria, wet Victor, de Rotterdamwet, de wet Damocles aan bod. Vervolgens is door de wetgever geconstateerd dat ondanks het invoeren van 3 bevoegdheden om woningen te sluiten, gemeenten nog steeds moeite hebben met de aanpak van woonoverlast. Uit onderzoek in de praktijk is gebleken dat er behoefte bestaat aan verfijndere instrumenten. Er is gebleken dat met name de mogelijkheid voor de Burgemeester om een gedragsaanwijzing op te leggen een bevoegdheid is die wenselijk wordt geacht.

Het wetsvoorstel voorziet in de introductie van een specifieke gedragsaanwijzing die de vorm krijgt van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.

In de Gemeentewet wordt na artikel 151c een nieuw artikel bestaande uit twee leden toegevoegd, te weten artikel 151d. In het eerste lid wordt bepaald dat de gemeenteraad bij verordening kan bepalen dat degene die een woning of bij een die woning behorend erf gebruikt, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf geen ernstige hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. In het tweede lid wordt bepaald dat de Burgemeester de bevoegdheid krijgt om de last onder bestuursdwang wegens overtreding van het voorschrift uit lid 1 op te leggen.

De Gemeenteraad heeft de keuze of de Burgemeester de extra bevoegdheid wordt verleend of niet en in de verordening dienen de kaders voor het toepassen van deze bevoegdheid te worden aangegeven. De Burgemeester dient bij de uitoefening van deze bevoegdheid ook rekening te houden met hetgeen door de Gemeenteraad hierover is bepaald in de verordening.

Van belang is dat onder gedragingen zowel gedragingen vallen van de gebruiker van de woning als een bezoeker zoals vrienden van de gebruiker of de hond van de gebruiker. Als gedragingen door een bezoeker worden gepleegd, moet de gebruiker wel in staat zijn de gedragingen te stoppen. Een concreet voorbeeld betreft overlast die wordt veroorzaakt door bepaalde personen. Aan de gebruiker kan worden verzocht om die personen die telkens overlast veroorzaken vragen de woning na een bepaald tijdstip te verlaten en niet meer toe te laten in de woning. Het nalaten van bepaald handelen kan onder omstandigheden ook als gedragingen worden gezien. Vervolgens wordt aangegeven dat onder ernstige hinder wordt verstaan ernstige hinder voor omwonenden in de zin van artikel 5:37 BW.

Voorts is bepaald dat de Burgemeester, indien deze de bevoegdheid van de Gemeenteraad krijgt, de specifieke gedragsaanwijzing pas oplegt als de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. Hiermee wordt bedoeld minder ingrijpende middelen conform het subsidiariteitsbeginsel. Dat kunnen ook andere middelen zijn dan uitoefening van overheidsbevoegdheden. Mogelijk andere wijzen, die in de memorie van toelichting worden genoemd, zijn buurtbemiddeling, mediation of een door het slachtoffer zelf aan te spannen civiele procedure. Wat opvalt is dat niet een optreden door de verhuurder, in veel gevallen een woningcorporatie, hierbij wordt genoemd. Het is dan ook niet duidelijk of pas als de verhuurder nalaat op te treden of op basis van de civiele procedure de hinder niet kan worden beëindigd, de Burgemeester tot het opleggen van bestuursdwang kan overgaan. Pas als de Burgemeester meent dat er redelijkerwijs geen andere geschikte wijze is om de ernstige hinder tegen te gaan, legt deze een last op. Bovendien komt de Burgemeester beleidsvrijheid toe om een afweging te maken of er geen andere geschikte wijze is om de hinder tegen te gaan.

Het wetsvoorstel is behandeld door de vaste Kamercommissie van Veiligheid en Justitie die vragen hebben gesteld. Deze vragen en de behandeling is op 9 november 2015 in een verslag vastgelegd. Indien deze vragen naar behoren worden geïnformeerd, zal een plenaire behandeling in de Tweede Kamer plaatsvinden. Wanneer u vragen heeft over het wetsvoorstel en de huidige maatregelen die de gemeente en/of woningcorporaties kunnen treffen om woonoverlast tegen te gaan, kunt u contact opnemen met de advocaten van Weebers Vastgoed Advocaten.

Plaats een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


UA-69824055-1